| |
Hoe geringschattend men sinds Busken Huet’s befaamd artikel
over Vader Cats doorgaans moge denken, een litteraire
verdienste heeft hij met den overigens veel belangrijker Const. Huygens
gemeen: de betrekkelijk grote oorspronkelijkheid van zijn stofvinding.
Deze verdienste wordt echter meteen weer verkleind door de omstandigheid,
dat Cats’ psychische structuur te weinig diepgang, althans te
geringe rijkdom en bewogenheid vertoonde om de doorgaans weinig belangrijke
onderwerpen te bezielen tot boeiende kunstwerken.
Een groot deel van zijn stof vond Cats in zijn eigen leven: Cats
lezen betekent voor een deel: òver Cats lezen. Toen de man
een grijsaard was en de vinger des doods hem wenkte, schreef hij het
omstandig gedicht Twee en tachtigh-jarigh leven, dat hij tot „naricht”
zijner veertien kindskinderen schreef. Wij kennen daardoor veel biografische
gegevens uit de eerste hand.

Cats was het vierde kind in het gezin. Zijn moeder stierf vroeg.
Toen zijn vader hertrouwde met een Waalse vrouw, wier goede aard Cats
overigens herhaaldelijk prees, stond zijn oom niet toe, dat hij langer
in het vaderlijk huis bleef: de opvoeding door een Waalse kon den
voogd klaarblijkelijk niet behagen. Al spoedig werd de jonge Jacob,
die te Brouwershaven geboren was, op school bezorgd te Zierikzee als
kostleerling op de Latijnse school van meester Dirk Kemp. Aanvankelijk
kon de studie hem maar matig bekoren. Zijn aandacht werd meer getrokken
door een inwonende dienstmaagd, die er een bijster genoegen in schepte
‘s avonds „als vrouwen meester sliep” de jonge heren
op hun
kamer te bezoeken om daar met losse praat de nacht aangenaam door
te brengen. Op zijn oude dag herinnert Cats zich deze nachtelijke
bijeenkomsten om dan te verklaren:
Ick voele menighmael noch in mijn zinnen komen
Dat ick van dese stof ter loops heb ingenomen.
De smetstof drong zijn ontvankelijke ziel binnen en prikkelde zijn
zinnen, die — blijkens zijn werken — voor het zintuiglijke
en sexuele bijzonder gevoelig waren. In deze periode ook verloor hij
reeds zijn hart aan een „jonge spruyt, al was het maer een kint”,
maar zijn moei wees hem het veilige pad ter deugd. Van deze moei heeft
hij meer geleerd dan zich in dit opzicht temmen:

Al wat Erasmus leert ten goede van de zeden,
Die braghtse tot de daet en al met soete reden
woorden die ons de continuïeit van de Nederlandse cultuur in
het geheugen brengen. In deze tijd begint hij ook te dichten: een
eerbaar jongeling, uit Brabant in Zierikzee gekomen, de dichtkunst
meester zijnde, heeft de grondslag gelegd, waardoor het hem mogelijk
was geleidelijk de Parnassus te gaan bestijgen. Naast Latijnse verzen
schrijft hij dus ook Nederlandse, of, zoals hij zelf zegt, Zeeuwse.
— Van Zierikzee gaat hij ,hogerop’, namelijk naar Leiden,
waar hij door een nieuwavontuur met de klaarblijkelijk niet erg makke
dienstmaagden van die tijd, voorgoed geneest van zijn lust zich met
deze „titsighe dieren” intiemer in te laten. Aanvankelijk
studeert hij veel Grieks, maar men betoogt hem, dat met de studie
van het Romeinse recht beter carriere te maken valt. Ter voltooiing
zijner jundische studiën
gaat hij naar Orleans, waar hij promoveert. Dan woont en studeert
hij te Parijs. Overbodig te zeggen, dat de aantrekkelijkheden van
het andere geslacht hem hier in hoge mate bekoren, maar zijn Leidse
ervaringen hebben hem voorzichtigheid geleerd. En hoewel hij moet
toegeven:

Mijn aert was vander jeught genegen om te mallen,
En ‘t vrouwelijck geslacht dat heeft mij wel bevallen……
toch heeft hij in Frankrijk niet anders dan hoofse omgang in eerbaar
onderhoud gezocht en het daarbij „gelaten”. Terug in de
lage landen vestigt hij zich in Den Haag, waar hij enige naam maakte
als jurist in de zaak van een van tovenarij beschuldigde vrouw, die,
dank zij Cats’ pleidooi, werd vrijgesproken. Hij zou spoedig
getrouwd zijn, maar wordt ziek en zoekt genezing in „het vruchtbaer
Engeland” zonder er echter baat te vinden. Daarna gaat hij in
Middelburg wonen (1603). Aanvankelijk oefent hij er de advocatenpractijk
uit. Thans, eindelijk, trouwt hij, niet het Haagse meisje dat hij
voor zijn Engelse reis ontmoette, óók niet de Middelburgse
schone die hem in vuur en vlam zette, maar wier vader — o, ramp!
— bankroet geslagen was, hetgeen de jonge Jacob een afdoende
reden acht de relatie te verbreken — deze zou hem immers in
zijn carriere geschaad hebben -; hij trouwt in 1605 met Elisabeth
van Valkenburg, „een vrouw van sneêgh vernuft en geestigh
in manieren”, die in stede van „Romansche grillen”
liever Plutarchus, maar bovenal de Bijbel las. Deze vrouw heeft een
belangrijke invloed op Cats’ innerlijk leven gehad. Tijdens
zijn verblijf in Engeland had Cats o.a. enige tijd doorgebracht in
Cambridge, waar William Perkins toentertijd professor was in de godgeleerdheid,
terwijl daar ook diens geestverwant „de soete doctor Hal”
vertoefde. Aan deze beiden dankt Cats de piëtistische inslag
in zijn calvistische opvattingen, die thans door zijn vrouw versterkt,
later door de omgang met den predikant Willem Teellinck, die van 1613-1629
in Middelburg stond, tot zijn hoogtepunt gevoerd worden. Een stil
en rustig leven leidend, kon hij bij Grijpskerke een zomers buitenverblijf
betrekken: als landontginner had hij in deze tijd de wind in de zeilen,
zodat hij een welgesteld man werd. Hij vindt er zijn genoegen in „om
buyten alle sorg te sitten in het groen:
Ick las, ick dicht’, ick schreef, ick maeckte Zinnebeelden
Terwijl mijn kleyne jeught ontrent de boomen speelden.
Reeds eerder had Cats, naar wij zagen, zich met de dichtkunst beziggehouden;
„eenige minnelycke Sinne-beelden dat is geckelijcke invallen”,
waarover hij zich later, ouder en wijzer geworden, lichtelijk schaamt,
waren er het resultaat van. De omgang met de genoemde vrome mannen
en zijn vrouw, de dood zijner drie zoons ook hebben zijn gemoed verdiept
en ernstiger gemaakt. Hij werkt dan deze minnelycke Sinne-beelden
om tot de Sinne- en Minnebeelden, waarmee hij in 1618, veertig jaar
oud, debuteerde: een boek met fraaie prenten van Adriaan van de Venne,
die Cats van bijschriften in proza en poëzie voorzag, het geliefkoosde
genre van die tijd. Cats toont zich hier reeds den moralist in opfuna
forma, die een of ander tafereeltje of beeld op diverse wijzen weet
te interpreteren, maar altijd zó dat de lezer er nutte lering
uit kan trekken.

Deze didactiek heeft vooral betrekking op de godsdienst, op het maatschappelijk
leven en op de liefde, die Cats zijn hele leven in hoge mate geïntrigeerd
heeft; altijd echter blijft zij bruikbaar voor het dagelijkse leven.
Men kan onmogelijk beweren, dat Cats ons volk heroïsche deugden
heeft aangeleerd: een nuchterberekenende voorzichtigheid stempelt
al zijn aanwijzingen. De edelmoedigheid, het elan, al wat naar
spontane levenskracht zweemt, is uit deze sfeer gebannen. Een rationaliserend
element is onmiskenbaar. Hoe heeft hij in Selfstryt (1620) Jozef en
Potiphar’s vrouw in eindeloze, maar nuchter weloverwogen debatten
(bij alle hartstocht van de kant der vrouw) hun standpunten laten
uiteenzetten, alsof het een wedstrijd in welsprekendheid gold!
Het einde van het Bestand (1621) betekent voor den inpolderaar Cats,
wiens polders juist op de grenzen in Staats- Vlaanderen lagen, een
groot verlies: uit strategische overwegingen worden namelijk de dijken
doorgestoken:
Vier polders nieuw gedijckt, die hadden konnen geven,
Daer op een deftigh man had eerlijck konnen leven,
Daer was een grote schat of hope van gewin,
En, naer mijn oordeel draeght, daer stack een rijkdom in.
Maer dit gingh soo het mocht, waertoe een droevig klagen ?
Wat van den Hemel komt dat moet men willigh dragen.
Regels als deze tekenen Cats ten voeten uit: geen spontane offervaardigheid
ten bate van het gemene vaderland; niets van de grimmige bereidheid
die Huygens kenmerkt in de beroemde regels uit Hofwijck, bereidheid
nog meer te offeren als het vaderland dit vraagt, maar
de nuchtere vaststelling: de financiële baten, zelfs de imaginaire
winst naar de knoppen!
Dit doorsteken van de dijken en fiscale moeilijkheden — „een
tweede slagh”, verzekert Cats — voeren hem naar Den Haag
om er zijn belangen te bepleiten. Daar wordt hem het professoraat
in het burgerlijk recht te Leiden aangeboden, en kort daarop het pensionarisschap
van Middelburg. Cats kiest het laatste, mede omdat zijn vrouw er de
voorkeur aan geeft. De stijging op de maatschappelijke ladder is begonnen
en zal van nu af aan ononderbroken worden voortgezet. Ook als dichter
geniet hij reeds naam, zoals blijkt uit de verzamelbundel Zeeusche
Nachtegael
die in 1623 verscheen: verschillende gedichten uit deze, op zijn voetspoor
in drie delen verdeelde, verzameling (Minnesang, Sedensang en Hemel-sang)
waren aan hem opgedragen. Onder de medewerkers vinden wij de namen
van Hondius, van Van Borsselen, om zijn gedicht Den Binckhorst (1613)
den voorloper van Huygens’ Hofwyck en Cluys-werck en die van
de twee belangrijkste Zeeuwse schrijvers naast Cats: den pittigen,
kernachtig formulerenden prozaschrijver Johan de Brune (1589-1658)
, wiens „Bankket-werk van goede gedagten” den liefhebber
van exquis
proza nog altijd vermag te boeien, en zijn neef Jan de Brune de Jonge
(1616-1649) met zijn overigens minder belangrijk boek „Wetsteen
der Vernuften”.
In het jaar, waarin de Zeeusche Nachtegael verscheen, verlaat Cats
zijn geliefd Middelburg voor Dordrecht om daar het pensionarisschap
te bekleden. Mocht hij zich daarmede al een „lastigh pack”
op de hals laden, de er aan verbonden eer „Hollandts eerste
stadt” te mogen dienen, zal de arbeid verzoet hebben. In elk
geval vond hij er tijd en gelegenheid een van zijn hoofdwerken te
schrijven, te weten Houwelick (1625) , waarin hij het ganse verloop
van de aangelegenheden des huwelijks omstandig ter sprake brengt:
maagd, vrijster, bruid, vrouw, moeder en weduwe, voor elk wordt niet
een, maar een groot aantal kaarsjes gebrand, terwijl
de mannelijke tegenplichten niet worden vergeten.
In 1630 stierf zijn vrouw, wier herinnering hem altijd dierbaar zal
blijven. Tot een tweede huwelijk kwam de, overigens amoureuze, 53-jarige
weduwnaar niet:

Een wijf dat rimpels heeft en kon my niet bevallen
En ick hield my te rijp om met de jeught te mallen.
Hij zoekt dus in zijn bezigheid afleiding voor de gedachten der eenzaamheid
die hem mochten kwellen; amtsbezigheden, studie, dichten en de aanleg
van zijn buitengoed Zorgvlied, waarmede hij omstreeks 1632 begon,
vullen zijn tijd. Dan volgt in 1636 de grote dag zijns levens, als
hij tot Raadpensionaris van Holland benoemd wordt, het gewichtige,
eervolle ambt dat voor hem gedragen was door een man als Oldenbarnevelt
en ná hem door een De Witt. Cats heeft het in zijn tijd (1636-1652)
als ambtenaar opgevat, met de hem eigen voorzichtigheid, en hij prijst
zich na beëindiging ervan gelukkig, dat hij nog leeft! Veel tijd
om te schrijven heeft het hem niet gelaten. Vóór het
zijn volle aandacht vergde, zal hij het complement van zijn Houwelick
hebben vervaardigd; althans in 1637 reeds verscheen ‘s Werelts
begin, midden, eynde besloten in den Trouringh, het tweede grote werk
met betrekking tot liefde en huwelijk. Houwelick en Trouringh tonen
Cats als den opvoeder van zijn volk in een gewichtige, maar niet de
enigst belangrijke aangelegenheid des levens. Op de practische dingen
is Cats’ aandacht gericht, zij het, dat in het grote concept
deze practische zaken samenhangen met en gericht zijn op hogere, geestelijke
waarden. De proefsteen van de trouwring is zijn Lofzang op het Geestelijk
Huwelijk van Gods Zoon met de Kerk. Buiten het deel dat hierover handelt
is van deze samenhang echter niet veel te bespeuren. De practische
raadgevingen van allerlei aard zijn ten dele geïnspireerd door
Cats’ christelijke opvattingen, ten dele door zijn gematigde,
overvoorzichtige mentaliteit die elke edelmoedigheid eigenlijk buitensluit.
Deze mentaliteit kan men moeilijk bewonderen. Meer waardering kan
men tonen voor den verteller Cats, die zijn theorie opluisterde door
verhalen van allerlei aard. Dat Cats veel gelezen had in de Bijbel
en tal van litteraturen, behoeft nauwelijks betoog. Hij wist zijn
belezenheid uitstekend aan den man, en niet minder aan de vrouw, te
brengen. Onder de geschiedenissen die hij vertelt, zijn er verschillende
die uitmunten door levendige voorstellingen van het geval, een zekere
geest en een soepele verteltrant. Kalff heeft de bestgeslaagde uit
de beide trouwverhalen al aangewezen; algemene bekendheid verwierf
het Spaens Heydinnetjen. Dit is vertelkunst, het genre dat na de veertiende
eeuw vrijwel verwaarloosd werd, om zijn laatste hoogtepunt te vinden
in Potter’s Minnen Loep. Over de eeuwen herinnert Cats aan zijn
begin vijftiende eeuwsen voorganger, niet altijd ten gunste van den
later gekomene overigens. Tenslotte was Potter een edelman, Cats een
burger. Het verschil in mentaliteit dat hieruit voortvloeide, is onmiskenbaar.
Wie verder een vergelijking zou willen maken tussen Cats en den middeleeuwsen
didacticus en volksopvoeder bij uitstek Jacob van Maerlant, ziet in
sommige opzichten de schaal doorslaan ten gunste van Van Maerlant.
Niet alleen dat Maerlant een aanmerkelijk breder, alzijdiger belangstelling
had dan Cats, die gepreoccupeerd is door sexuele (en religieuze) vraagstukken,
de middeleeuwer is ook bewogener, heftiger, hartstochtelijker van
natuur dan de al te paisibele nazaat. Maerlant vecht met drift voor
hem heilige zaken, betoogt, zet uiteen, polemiseert; Cats, de wijze
Vader Cats staat met immer opgeheven vinger voor ons, bedaard, kalm,
rustig; hij heeft alles weloverwogen, alles klopt als een bus, en
als er iets niet klopt, is het Gods wil, die men in lijdzaamheid te
aanvaarden heeft. Maar behalve Gods wil, kent hij alle geheimenissen
tussen hemel en aarde vooral die van het huwelijksbed. Hij doceert
nauwkeurig dat de vrouw haar man het dek niet moet aftrekken en zich
niet onmiddellijk boos moet maken, wanneer hij zich maar even beweegt;
hij adviseert de vrijster zich al vroeg er aan te gewennen niet in
een bocht te liggen, opdat haar man later van die bocht geen last
hebbe. Hij geeft ook raad en opheldering in ietwat belangrijker zaken,
maar hij doet het altijd iets te gezapig om het gezellig te doen.
In Cats’ geestelijk leven treft slechts uiterst zelden een
spoor van wat op geestelijke verheffing lijkt. Men leze zijn reactie
op de Vrede van Munster, voor Nederland dan toch de definitieve bevestiging
der nationale zelfstandigheid en onafhankelijkheid, van welke gebeurtenis
Cats als raadspensionaris de draagkracht van nabij kende:

Ick had dat ampt bekleet nu jaren tweemaal zeven,
Als Godt aen des en staet den vrede quam te geven;
Dat in voorleden tijt geen mensch en had bedacht,
Daer is de Spaensche vorst op heden toe gebracht.
Godt buyght der prinssen hart; ey, siet, de Nederlanden
Zijn los en vrij gestelt van alle strenge banden!
Op, op, nu, geesten, op! hier krijght uw penne stof
Tot voetsel voor de faem en Godes hoogen lof.
Laet nu des Hemels vier in uwe zinnen werken,
Opdat de tijt die komt dit wonder magh bemercken.
Voor my, ick swijge stil om voor mijn borst te slaen,
En segge: lieve Godt! wat hebje my gedaen ?
Aldus de man die van zichzelf getuigt, dat hij die „grote zaken”
van oorlog en van vrede van begin af aan mocht zien, en als het ware
met de handen aanraken.
Mag er van waarachtige bezieling in Cats’ werk weinig te bespeuren
zijn, een althans overtuigd accent klinkt, als hij het religieuze
aspect des levens raakt. Hieraan valt~ hoe summier hij het telkens
vermeldt, niet te twijfelen: zijn Godgelovigheid is een der weinige
kanten van zijn persoonlijkheid waaraan men houvast heeft: hij is
onvoorwaardelijk ge1ovig. Verder is hij alleen maar onvoorwaardelijk
voorzichtig en bedaagd. Van zodra hij optreedt als auteur, tot in
zijn Twee en tachtigh-jarigh Leven……

Wij noemden Cats het best geslaagd als verteller, als novellist.
Men noeme hem geen dichter in de zin waarin wij dat woord verstaan.
De „fine frenzy” die de dichter meesleept, was niet zijn
deel. Cats weet vlot met de taal om te gaan. Men kan zeggen, dat hij
zuiver Nederlands schrijft, en dat is een grote verdienste. Hij weet
ook vlot te versifiëren, dat wil in dit geval zeggen: op maat
rijmende regels van een bepaalde lengte te schrijven. Dat hij daarbij
heel wat stoplappen nodig heeft en soms halve versregels of meer herhaalt,
is slechts een der omstandigheden van zijn breedvoerigheid
en soms irriterende langdradigheid. Maar „gedichten” schreef
hij niet. Zijn versregel mist elk rhythme, gevolg van het ontbreken
van elke bewogenheid in den schrijver; hij wordt geheel beheerst door
een hinderlijke voorkeur voor de caesuur en door een overdrijving
van de geaccentueerde jambemaat, waarbij hij er in „slaagde”
de arsis een lettergreep van rijker klankgehalte op te leggen. Als
hierin het schrijven van versregels bestond, zou Cats onze grootste
dichter zijn geweest. Het is echter maar al te duidelijk, dat rhythme
voor Cats niets: metrum daarentegen alles betekende. De eentonigheid
der alexandrijnen nivelleert al wat Cats heeft mee te delen: hier
geen innerlijke bewogenheid die een eigen vorm zoekt, maar een a priori
gestelde maat waarop zowel het groots verhaal van de dag des oordeels
(met God „strengh en deftigh gelijc een rechter plagh”)
als, vlak daarop, de uitvinding van het haringkaken door Willem Beukelszoon
van Biervliet „bezongen” worden.
Toen Cats eindelijk van het „lastig pak” ontslagen werd
(1652) — hij liep toen tegen de tachtig — trok hij zich
terug op Zorgvliet om daar een rustig en aangenaam leven te leiden:
een goede tafel, de omgang met geestverwanten, vrome lectuur, het
schrijven van nieuwe werken. Het ligt voor de hand, dat deze geschriften
van den ouden man, die in dit opzicht aansloot bij de piëtistische
traditie, een sterk autobiographisch karakter vertonen (Ouderdom,
Buytenleven en Hofgedachten, 1656; Tachtighjarigh leven, 1657, en
Twee en tachtigh-jarigh leven 1659) . Zij bezitten dezelfde dichterlijke
waarde als de hiervoor genoemde: geen spoor van de grootheid der dichtkunst,
van de adem der poëzie. Toch is er iets sympathieks in dien om
vele redenen niet bijzonder aantrekkelijken inpolderaar en raadspensionaris-van-de-koude-grond:
dat is zijn religieus leven. Cats behoudt tot zijn oude dag een aantrekkelijke
eenvoud in zijn godsdienstige houding: een simpele overgave aan God
beheerst zijn leven; beter nog: hij bezit het vermogen onmiddellijk
de voorvallen des levens met God in betrekking te brengen. Hij is,
in dit opzicht, zelfs kinderlijk naïef: hoe vaak is hij in zijn
leven niet ziek geweest; geen reizen, geen dokters, geen alchemisten
die uitkomst brachten……; een simpel gebed tot God, en
de volgende dag was hij genezen. Maar Cats heeft toch gekend wat een
andere devoot van de 17e eeuw de Franse Jezuïet De Caussade noemde
l’abandon à la Providence divine, en dit maakt zijn invloed
op tijdgenoot en nakomeling begrijpelijk.

Bron: Handboek tot de Geschiedenis der Nederlandse Letterkunde
van Gerard Knuvelder 1948 — Uitgeverij L.C.G. Malmberg —
’s-Hertogenbosch
|
|